In het derde schilderij is de zwemmer bijna opgelost in het water. De lijnen zijn zachter, de kleuren vloeien in elkaar over. Haar lichaam lijkt opgenomen in een ritme dat niet meer van haarzelf is. Ze is niet meer tegen het water, maar ín het water. Het trapje in de linkerhoek herinnert ons aan het oppervlak, maar haar lichaam zweeft dieper, verder van de rand. Dit is het moment van versmelting, een toestand van volledige overgave, waar identiteit en omgeving vervagen.